...
top of page
  • Instagram
  • Youtube
  • Facebook
  • X

Fish Species Wiki

In the Species Wiki you will find information about most freshwater fish that occur in the Netherlands. In the Details we collect information about, among other things, recognition, habitat and distribution of the different fish species.
The information shown comes from
Ravon.nl
Aal (Anguilla anguilla) behoort tot de familie van de alen (Anguillidae). De soort heeft een langgerekt, slangachtig lichaam. Gedurende de levenscyclus verandert het uiterlijk. De in zee levende larven hebben de vorm van een wilgenblad en zijn doorzichtig. Bij de kusten aangekomen transformeren de circa 8 centimeter lange larven tot aaltjes die in eerste instantie nog doorzichtig zijn (glasaal). De in zoetwater en langs de kusten opgroeiende alen (rode aal) hebben een zwarte tot groen bruine rug en een witte buik. De naar zee trekkende volwassen aal (schieraal) heeft zilverwitte flanken en grotere ogen. Vrouwelijke dieren kunnen tot 118 centimeter groot worden, de mannetjes worden doorgaans niet groter dan 50 centimeter. De aal is te onderscheiden van de prikken doordat laatst genoemde ronde kieuwopeningen en een mondschijf (bij volwassen exemplaren). Meervallen, kwabaal, bermpje en modderkruipers hebben bekdraden.

Aal (Paling)

Anguilla anguilla

De mannetjes zijn in het algemeen grijs of bruin, met een sterk contrasterende zwarte rugstreep en contrasterende lipschilden (bovenlip). Vrouwtjes zijn vaak lichtbruin, met een donkerbruine, minder contrasterende rugstreep.

Adder

Vipera berus

De Afrikaanse meerval (Clarius gariepinus) behoort tot de familie van de kieuwzakmeervallen (Clariidae). De soort heeft een langgerekt lichaam met een sterk afgeplatte kop met acht bekdraden. De soort wordt maximaal 170 centimeter lang. Europese meerval is van de Afrikaanse meerval te onderscheiden doordat deze slechts 6 bekdraden heeft. De kanaalmeerval en Amerikaanse dwergmeervallen zijn te onderscheiden doordat deze een vetvin hebben welke bij de Afrikaanse meerval ontbreekt.

Afrikaanse meerval

Clarias gariepinus

Alpenwatersalamander

Ichthyosaura alpestris

De alver (Alburnus alburnus) behoort tot de familie van de karpers (Cyprinidae). Ze hebben een zijdelings afgeplat lichaam met opvallend zilver gekleurde schubben en spitse kop met een relatief kleine sterk bovenstandige bek. De soort kan 20 centimeter groot worden maar blijft meestal kleiner (circa 15 centimeter). Alvers kunnen verward worden met (jonge) roofblei, vetje en spiering. Roofblei heeft een grotere bek die tot onder het oog doorloopt, vetjes hebben een onvoledige zijlijn en spiering heeft een vetvin.

Alver

Alburnus alburnus

De Amerikaanse hondsvis (Umbra pygmaea) behoort tot de familie van de hondsvissen (Umbridae). De soort heeft een bijna rond lichaam met een stompe kop, bolronde vinnen en een kleine bovenstandige bek. De rugvin staat ver naar achteren op het lichaam. De kleur is groenbruin tot roodbruin met wat donkere vlekken, op de staartwortel zit een donkere dwarsband. In de paaitijd wordt het mannetje bleekgrijs en het vrouwtje zwart. De soort wordt maximaal 14 centimeter groot. Vanwege de karakteristieke bouw is de soort in Nederland niet te verwarren met andere soorten.

Amerikaanse hondsvis

Umbra pygmaea

Amerikaanse stierkikker (Exoot)

Lithobates catesbeianus

Naarmate de inheemse Antilliaanse leguaan ouder wordt verandert de lichaamskleur van groen tot lichtgrijs. Vrouwtjes blijven echter soms een wat groene lichaamskleur aanhouden. De benaming van de gewone Groene leguaan is daarom wat ongelukkig, doordat de soort in verschillende kleuren varianten voorkomt (bijvoorbeeld: zwart, blauw, groen, oranje, grijs), en omdat vrouwelijke Antilliaanse leguanen veel groen behouden en zo voor gewone groene leguanen kunnen worden aangezien.

Antilliaanse leguaan

Iguana delicatissima

De Atlantische forel (Salmo trutta) behoort tot de familie van de zalmen (Salmonidae). De soort heeft een torpedovormig lichaam met achter op de rug een vetvin. De in zee verblijvende Atlantische forellen (zeeforel) hebben zilverkleurige flanken met donkere kruisvormige vlekken. Tijdens de paaitrek krijgen de mannetjes een haakbek (gekromde onderkaak). De in beken en rivieren levende Atlantische forellen (beekforel) zijn over het algemeen bronskleurig en hebben naast zwarte ook vaak rode stippen op de flanken en een roodachtige rand op de vetvin. De in beken levende Atlantische forel worden tot circa 50 centimeter lang, de in zee levende forellen kunnen een lengte van 102cm bereiken. Jonge Atlantische forellen hebben 9-10 donkere vlekken op de flank, bij zalm zijn dit er 10-15. Het onderscheid met volwassen zalm kan gemaakt worden doordat deze een kleurloze vetvin heeft en de zwarte vlekken geen kruisjes vormen op de flanken. Daarnaast heeft Atlantische forel 14-17 schubben tussen de vetvin en de zijlijn (zalm heeft er 10-13). De exotische regenboogforel heeft een paarse band op de flanken en de bronforel heeft vinnen met een lichtgekleurde voorrand. De bultrugzalm heeft langgerekte ovale vlekken op de boven- en onderkant van de staart.

Atlantische forel

Salmo trutta

Baars behoort tot de familie van de baarzen (Percidae). De soort heeft een vrij grote stompe kop en een hoge rug met twee gescheiden rugvinnen, waarvan de voorste harde stekels heeft en achterin een zwarte vlek. De kieuwdeksels lopen naar achteren over in een stekel. De flanken hebben vijf tot acht donkere verticale strepen. Baars kan tot 56 centimeter groot worden. De soort is te onderscheiden van de gelijkende pos en snoekbaars doordat bij pos de rugvinnen verbonden zijn en bij snoekbaars de zwarte vlek in de voorste rugvin ontbreekt.

Baars

Perca fluviatilis

Bandsalamander (Exoot)

Ommatotriton sp.

Barbeel (Barbus barbus) behoort tot de familie van de karpers (Cyprinidae). De soort heeft een langgerekt lichaam met een afgeplatte kop en onderstandige uitstulpbare bek met viert bekdraden (twee op de bovenlip en één in elke mondhoek). De rug is bruin tot bruingroen met messing tot zilverkleurige flanken met kleine donkere vlekjes. Jonge barbelen zijn meer beige van kleur. De soort kan een lengte van 94 centimeter bereiken. De soort is te onderscheiden van gelijkende vissoorten door het aantal bekdraden, bermpje heeft er 6 en riviergrondel en witvinriviergrondel hebben er slechts 2.

Barbeel

Barbus barbus

Bastaardkikker

Pelophylax klepton esculentus

De bastaardmodderkruiper is op uiterlijke kenmerken nagenoeg niet te onderscheiden van de gewone kleine modderkruiper. Het enige onderscheidende kenmerk is de maximale lengte. Deze ligt bij de gewone kleine modderkruiper op 11,5 centimeter terwijl de bastaardmodderkruipers ruim 13 centimeter kunnen worden. Door hun bijzondere voortplantingsmechanisme, de vrouwtjes klonen zichzelf, zijn de bastaardmodderkruipers altijd vrouwelijk. De geslachtsverhouding van een populatie geeft daarom ook in een indicatie of het pure kleine modderrkuipers betreft (man: vrouw als 1:1) of bastaardmodderkruipers (typisch man:vrouw als 1: >10). Het bermpje en de grote modderkruiper vertonen gelijkenis met de bastaardmodderkruiper. Grote modderkruiper heeft tien bekdraden. Bermpje heeft geen stekel onder het oog en een onregelmatig vlekkenpatroon.

Bastaardmodderkruiper (Hybride)

Cobitis taenia x elongatoides x tanaitica

De beekdonderpad behoort tot de familie van de donderpadden (Cottidae). Het is een bodemvis met een brede afgeplatte kop, zeer grote bek, grote borstvinnen en los van elkaar staande buikvinnen. De flanken zijn afhankelijk van de bodemkleur waar ze zich op bevinden, bruin tot grijskleurig met donkere vlekkerige banden dwars op het lichaam. De beekdonderpad kan tot 12 centimeter groot worden. Onderscheid met de zeer sterk gelijkende rivierdonderpad is alleen te maken bij dieren tot een lengte van 6 cm, waarbij rivierdonderpadden ruwe stekeltjes op de flanken en rug hebben en beekdonderpadden gladde flanken. Het onderscheid met de gelijkende uitheemse Pontokaspische grondelsoorten zoals marmergrondel, kesslers grondel en zwartbekgrondel is te maken doordat de buikvinnen van deze soorten zijn vergroeid tot een zuignap, bij beekdonderpad zijn ze gescheiden. Voor meer informatie over gelijkenissen en verschillen wordt verwezen naar de herkenningskaart bodemvissen.

Beekdonderpad

Cottus rhenanus

De beekprik behoort tot de familie van de prikken (Petromyzontidae) ook wel rondbekken genoemd. Het lichaam is slangachtig met zeven ronde kieuwopeningen achter het oog. De larven hebben geen ogen, een spleetvormige bek en zijn lichtbruin tot geel gekleurd. Volwassen beekprikken hebben lichtgele tot zilverkleurige flanken en een ronde zuigbek met stompe tandjes. Beekprik kan tot 20 cm lang worden. Bij gemetamorfoseerde exemplaren is onderscheid met volwassen rivierprik en zeeprik is te maken op basis van de zuigbek welke bij laatstgenoemde soorten scherpe tandjes bevat (pas op: bij net gemetamorfoseerde rivierprikken zijn de tandjes ook nog stomp). Onderscheid met de larve van de zeeprik is te maken doordat deze zwart gepigmenteerde vlekjes op de staart heeft terwijl bij beekpriklarven pigment ontbreekt. Onderscheid met de larven van rivierprik is in het veld niet te maken.

Beekprik

Lampetra planeri

Het bermpje (Barbatula barbatula) behoort tot de familie van de bermpjes (Nemacheilidae). De soort heeft een langgerekte lichaam met een enigzins afgeplatte kop en een naar beneden gerichte bek met zes bekdraden: vier op de bovenlip en twee in de mondhoeken. De huid is glad zonder zichtbare schubben met een donker- tot bruine kleur met onregelmatige donkere vlekken op de flanken. De soort kan een lengte van 18 centimeter bereiken maar blijft meestal kleiner. De grote en de kleine modderkruiper vertonen gelijkenis met het bermpje. Grote modderkruiper heeft tien bekdraden. Kleine modderkruiper heeft een stekel onder het oog en een regelmatig vlekkenpatroon. Jonge barbeel heeft 4 bekdraden.

Bermpje

Barbatula barbatula

Door de scherpe randen van de bek, de enorme bijtkracht en de onverwacht lange nek die zeer snel uitgestrekt kan worden, is zelfs een kleine bijtschildpad gevaarlijk. Niet hanteren!

Bijtschildpad (Exoot)

Chelydra serpentina

De bittervoorn (Rhodeus amarus) behoort tot de familie van de karpers (Cyprinidae). Het is een kleine vis met een hooggebouwd zijdelings afgeplat lichaam. De flanken zijn zilverkleurig met een blauwgroene lengtestreep richting de staartwortel. In de paaitijd krijgen de mannetjes een paarse gloed en worden ze rood op de borst, de vrouwtjes ontwikkelen een legbuis vanuit de anaalopening. Ze kunnen maximaal 9 centimeter lang worden. De zijlijn is onvolledig (vier tot zeven schubben lang). Jonge exemplaren van andere karperachtigen zoals brasem en kolblei vertonen enige gelijkenis. In tegenstelling tot de bittervoorn hebben deze soorten een volledige zijlijn en een langere anaalvin. Kroeskarper en giebel hebben een langere rugvin.

Bittervoorn

Rhodeus amarus

De blankvoorn (Rutilus rutilus) behoort tot de karpers (Cyprinidae). De soort heeft een zijdelings afgeplatte lichaam met zilverkleurige flanken. De bek is eindstandig en het oog is doorgaans oranjerood van kleur. Blankvoorn kan tot 51 centimeter groot worden. De soort is te onderscheiden van gelijkende karperachtigen op basis van de stand van de bek en plaatsing van de vinnen. Bij blankvoorn begint de rugvin recht boven het begin van de buikvinnen terwijl deze bij rietvoorn, winde en kopvoorn achter de buikvin begint. De serpeling en sneep hebben een onderstandige bek

Blankvoorn

Rutilus rutilus

De Blauwband (Pseudorasbora parva) behoort tot de familie van de karpers (Cyprinidae). De soort heeft een torpedovormig lichaam met een vrij kleine bovenstandige bek. Over de flank loopt vaak een donkerblauwe streep, de schubben zijn vrij groot en zwartomrand. In de paaitijd krijgen mannetjes een violetkleurige kop en staalblauwe kleur, de vrouwtjes krijgen een gele kop en witgele flanken. De soort wordt maximaal 11 centimeter lang maar blijft in Nederland doorgaans kleiner. Blauwband vertoont enige gelijkenis met jonge kopvoorn, alver en vetje. Kopvoorn heeft een eindstandig bek en kleinere schubben (42-46 op de zijlijn) dan blauwband (35-38 op de zijlijn). Alver en vetje hebben een langere anaalvin.

Blauwband

Pseudorasbora parva

Blauwneus (Vimba vimba) behoort tot de familie van de karpers (Cyprinidae). De soort heeft een zijdelings afgeplat lichaam met een vrij hoge rug en zliverkleurige flanken. Aan de kop zit een vlezige donkere neus met een onderstandige bek die vanaf onder gezien U-vormig is. Bij jonge exemplaren is de neus nog nauwelijks ontwikkeld. De soort heeft een relatief lange anaalvin (20-25 vinstralen). In de paaitijd worden mannetjes en vrouwtjes glanzend zwart op de rug en de onderste vinnen diep oranje. De maximale lengte bedraagt 48 centimeter. De U-vormige bek en de vlezige neus zijn een onderscheidend kenmerk met gelijkende soorten als brasem, Donaubrasem en kolblei die ook een lange anaalvin hebben. Andere soorten met een verdikte neus als sneep, serpeling en houting hebben geen lange anaalvin.

Blauwneus

Vimba vimba

Boomkikker

Hyla arborea

De bot (Platichthys flesus) behoort tot de familie van de platvissen (Pleuronectidae). Het is een platvis, beide ogen bevinden zich aan de groen tot roodbruin gekleurde bovenzijde van het lichaam. Met de lichte onderzijde ligt de vis op de bodem. De zijlijn is ruw wanneer van de staart richting de kop gestreken wordt. Bot kan een lengte van 46 centimeter bereiken. In estuaria kan de soort verward worden met schol (heeft gladde zijlijn) en schar (heeft een bocht in de zijlijn en een geheel ruwe huid).

Bot

Platichthys flesus

De brakwatergrondel (Pomatoschistus microps) behoort tot de familie van de grondels (Gobiidae). Het is een kleine bodemvis met een gedrongen grijs tot zandkleurig lichaam met donkere vlekken op de flanken. De ogen staan hoog op de kop en de bek is bovenstandig. De buikvinnen zijn aaneengegroeid en vormen een zuignap, aan de basis van de borstvinnen bevindt zich een donker gepigmenteerde driehoekige vlek. Het mannetje krijgt in de paaitijd een blauwe tot zwarte vlek in de voorste rugvin. De soort kan tot 7 cm lang worden. Onderscheid met de Kaukasische dwerggrondel is te maken doordat deze een veel stompere kop met korte neus heeft zonder schubben bovenop de en rug tot aan de eerste rugvin. Juveniele Ponische stroomgrondels hebben een spitsere kop en zijn minder donker gepigmenteerd.

Brakwatergrondel

Pomatoschistus microps

De brasem (Abramis brama) behoort tot de karpers (Cyprinidae). De soort heeft een hooggebouwd zijdelings afgeplat lichaam met een uitstulpbare onderstandige bek. De jonge dieren hebben zliverkleurige flanken, oudere brasems hebben een donkergrijze tot donkerbruine kleur. In de paaitijd krijgen de mannetjes witte paaiuitslag. De soort kan 77 centimeter lang worden maar wordt in Nederland doorgaans niet langer dan 60 centimeter. Met name jonge exemplaren van brasem kunnen verward worden met de gelijkende kolblei en uitheemse Donaubrasem en blauwneus. Kolblei heeft een groter oog en minder schubben tussen de zijlijn en rugvin (7-9 bij kolblei t.o.v. 10-13), Donaubrasem heeft een langere anaalvin en blauwneus is minder hoog gebouwd, heeft een verdikte neus en u-vormige bek.

Brasem

Abramis brama

De brasemblei (Ballerus ballerus) behoort tot de familie van de karperachtigen (Cyprinidae). De soort heeft een hooggebouwd zijdelings afgeplat lichaam met een kleine bovenstandige bek. De flanken zijn zilverwit van kleur en de vinnen zijn kleurloos of gelig. De aanaalvin is de zeer lang (37–46 vinstralen). De soort wordt circa 40 centimeter lang. Soorten die qua lichaamsbouw overeenkomsten vertonen met Donaubrasem hebben een kortere anaalvin: brasem (24-32 vinstralen), kolblei (22-26 vinstralen) en blauwneus (20-25 vinstralen). De donaubrasem die eveneens een zeer lange anaalvin heeft (41-48 vinstralen, heeft een onderstandige bek.

Brasemblei

Ballerus ballerus

Bronforel (Salvelinus fontinalis) behoort tot de familie van de zalmen (Salmonidae). De soort heeft een vetvin. De flanken zijn bruingroen van kleur met daarop gele en blauwe vlekken en de buik is rood. Bronforel wordt tot ongeveer 50 centimeter lang. De kaak van de bronforel reikt tot achter het oog en hiermee onderscheidt hij zich van Atlantische forel, regenboogforel en zalm. Bronforel eet dierlijk plankton, kleine kreeftachtigen, kleine visjes, insectenlarven en insecten die op het wateroppervlak vallen. In het Oostvoornse Meer is de Elzasser saibling, een kruising tussen bronforel en Arctische forel (Salvenis alpinus), uitgezet ten behoeve van de sportvisserij.

Bronforel

Salvelinus fontinalis

De bruine dwergmeerval (Ameiurus nebulosus) behoort tot de familie van de Noord-Amerikaanse meervallen (Ictaluridae). Het betreft een kleine soort die tot 22cm groot wordt. De soort lijkt sterk op zwarte dwergmeerval. Een onderscheidend kenmerk tussen de soorten is de achterzijde van de voorste borstvinstraal, deze is bij bruine dwergmeerval sterk getand en bij zwarte dwergmeerval niet. Daarnaast is de staart van de bruine dwergmeerval uniform gekleurd en bij zwarte dwergmeerval zwart-wit gestreept (klik hier voor meer info). Onderscheid met de Europese meerval, Afrikaanse meerval en kwabaal is te maken op basis van de aanwezigheid van een vetvin bij de bruine dwergmeerval. De kanaalmeerval, die eveneens een vetvin heeft, is te onderscheiden doordat deze een diepgevorkte staartvin en langere anaalvin heeft.

Bruine dwergmeerval

Ameiurus nebulosus

Bruine kikker

Rana temporaria

Bultrugzalm (Oncorhynchus gorbuscha) behoort tot de familie van de zalmen (Salmonidae). De soort heeft een vetvin. De flanken zijn zilver van kleur met daarop kleine zwarte vlekjes. In de paartijd krijgen de mannetjes die de rivieroptrekken een opvallende grote bult op de rug. De bultrugzalm is tijdens zijn oceaanfase moeilijk te onderscheiden van de inheemse salmoniden zalm of de zeeforel (Atlantische forel) een belangrijk verschil is de aanwezigigheid van langgerekte ovale vlekken op de boven- en onderkant van de staart.

Bultrugzalm

Oncorhynchus gorbuscha

De diamantsteur (Acipenser gueldenstaedtii) (synoniemen zijn Russische steur en Donausteur) behoort tot de familie van de steuren (Acipenseridae). De soort kan tot 236 centimeter groot worden. De soort heeft in vergelijking tot andere in Nederland voorkomende steuren een korte en afgeronde snuit, de bekdraden zitten dichter bij de snuitpunt dan bij de bek en de beenplaten zijn meestal lichtgekleurd en relatief groot. Zie verder de herkenningskaart uitheemse steuren.

Diamantsteur

Acipenser gueldenstaedtii

De dikkopelrits (Pimephales promelas) behoort tot de familie van de karperachtigen (Cyprinidae). De soort heeft een gedrongen lichaam met een stompe afgeronde kop en een kleine eindstandige bek. De rug- en staartvin zijn afgerond. Het lichaam is olijf- of grijskleurig en er loopt een donkere horizontale band over de flanken die het best zichtbaar is richting de staart. Tijdens de paaitijd heeft het mannetje sponsachtige knobbels op de kop. Dikkopelrits wordt tot ongeveer 5cm groot. Onderscheid met de inheemse elrits is te maken op basis van de positie van de rugvinnen en buikvinnen, deze beginnen bij dikkopelrits op vrijwel gelijke hoogte terwijl bij gewone elrits de rugvin duidelijk achter de buikvinnen begint. De enigzins gelijkende blauwband heeft een bovenstandige bek.

Dikkopelrits

Pimephales promelas

Kenmerken:

Dikkopschildpad (Dwaalgast)

Caretta caretta

De diklipharder (Chelon labrosus) behoort tot de familie van de harders (Muglidae). De soort heeft een torpedovormige lichaam met zilveren flanken en een brede afgeplatte kop. Er zijn twee gescheiden rugvinnen waarvan de voorste rugvin bestaat uit vier stekelig aanvoelende harde vinstralen. Diklipharders kunnen ongeveer 78 centimeter lang worden. Het onderscheid met dunlipharder kan gemaakt worden op basis van de dikte van de bovenlip. Diklipharder heeft een bovenlip die groter is dan de halve oogdiameter met daarop twee of drie rijen hoornige papillen. Bij dunlipharder is de bovenlip dunner dan de halve diameter van het oog.

Diklipharder

Chelon labrosus

De Donaubrasem (Ballerus sapa) behoort tot de familie van de karperachtigen (Cyprinidae). De soort heeft een hooggebouwd zijdelings afgeplat lichaam. De flanken zijn zilverwit van kleur en de kop is relatief klein met een onderstandige bek. Kenmerkend is de zeer lange anaalvin (41-48 vinstralen). De soort wordt circa 25 centimeter lang. Soorten die qua lichaamsbauw overeenkomsten vertonen met Donaubrasem hebben een kortere anaalvin: brasem (24-32 vinstralen), kolblei (22-26 vinstralen) en blauwneus (20-25 vinstralen).

Donaubrasem

Ballerus sapa

De driedoornige stekelbaars (Gasterosteus aculeatus) behoort tot de familie van de stekelbaarzen (Gasterosteidae). Het is een kleine vis met een zijdelings afgeplatte lichaam met zilvere flanken met zwarte strepen of vlekken. Op de rug bevinden zich drie harde stekels, soms zijn dit er twee of vier. In de paaitijd krijgen mannetjes een felrode onderkant en een blauwachtige rug en iris. Stekelbaarzen hebben geen schubben maar beenplaten. Hoe zouter het water waar ze leven, hoe meer van deze platen er op de flanken aanwezig zijn. Ook worden ze groter in zout water, tot 11 centimeter lang. In zoet water worden ze niet langer dan ongeveer 8 centimeter. Het onderscheid met de tiendoornige stekelbaars kan gemaakt worden doordat deze soort acht tot twaalf stekels op de rug heeft en slanker van vorm is.

Driedoornige stekelbaars

Gasterosteus aculeatus

De dunlipharder (Liza ramada) behoort tot de familie van de harders (Muglidae). De soort heeft een torpedovormige lichaam met zilveren flanken en een brede afgeplatte kop. Er zijn twee gescheiden rugvinnen waarvan de voorste rugvin bestaat uit vier stekelig aanvoelende harde vinstralen. Dunlipharder wordt tot ongeveer 60 centimeter groot. Het onderscheid met de diklipharder kan gemaakt worden op basis van de dikte van de bovenlip. Diklipharder heeft een bovenlip die groter is dan de halve oogdiameter met daarop twee of drie rijen hoornige papillen. Bij dunlipharder is de bovenlip dunner dan de halve diameter van het oog.

Dunlipharder

Liza ramada

Elft (Alosa alosa) behoort tot familie van de haringen (Clupeidae). Ze hebben een langgerekt zijdelings afgeplat lichaam met een vrij grote kop met een diepe mondspleet die tot de achterrand van het oog reikt. Er bevindt zich doorgaans één stip diret achter het kieuwdeksel, soms gevolgd door nog één of meerdere kleine vlekken. Elft kan een lengte van 62 centimeter bereiken. De soort vertoont veel gelijkenis met de fint waarbij het onderscheid te maken is door diep in de geopende bek te ijken naar het aantal kieuwboogaanghangsels: elft heeft er meer dan 80 (fijne kam), fint minder dan 60 (grove kam).

Elft

Alosa alosa

Elrits (Phoxinus phoxinus) komt uit de familie van de karpers (Cypriniden). Het is een kleine langgerekte vis met een stompe kop en eindstandige bek. De rug is vaak donkerolijfgroen van kleur met onregelmatige vlekken op de flanken. De mannetjes krijgen tijdens de paaitijd een rode onderkant, een groene waas op de rug en pikzwarte vlekken op de flank. Elrits kan tot 12 centimeter lang worden. Bij de exotische dikkopelrits beginnen rug- en buikvin op vrijwel gelijke hoogte. Bij de inheemse elrits begint de rugvin duidelijk achter de buikvinnen. Jonge zalmachtigen hebben een vetvin.

Elrits

Phoxinus phoxinus

Europese meerval (Silurus glanis) behoort tot de familie van de meervallen (Siluridae). De soort heeft een langgerekt zijdelings afgeplat lichaam met een brede afgeplatte kop en grote bek met in het totaal zes bekdraden: twee op de onderkaak, twee in de mondhoeken en twee op de bovenkaak. De kleur is zwart tot bruin met gemarmerde flanken en een vuilwitte buik. Niet ver achter de kop bevindt zich een kleine rugvin, de anaalvin is juist erg lang en loopt door tot dichtbij de buikvinnen. De Europese meerval is één van de grootste soorten in het Nederlands zoet water met een maximale lengte tot 243 centimeter. Van de gelijkende soorten hebben kanaalmeerval, bruine- en zwarte dwergmeerval acht bekdraden en een vetvin. Afrikaanse meerval heeft 8 bekdraden en kwabaal slechts één bekdraad.

Europese meerval

Silurus glanis

Kenmerken:

Europese moerasschildpad (Exoot)

Emys orbicularis

De Europese steur (Acipenser sturio) behoort tot de familie van de steuren (Acipenseridae) en heeft een langwerpig lichaam met donkerbruine tot donkergroene flanken en vijf rijen knobbelvormige beenplaten. De rij op de flank heeft 24-40 grote knobbels. De soort heeft een spitse kop met een lange snuit en een uitstulpbare onderstandige bek. Tussen de snuitpunt en de bek bevinden zich vier bekdraden. De staartvin is asymmetrisch, met een lange bovenkant. De maximale lengte is circa 6 meter.

Europese steur

Acipenser sturio

Fint (Alosa fallax) is een haringachtige (Clupeidae) met een langgerekt zijdelings afgeplat lichaam en een vrij grote kop met een diepe mondspleet die tot de achterrand van het oog reikt. Er bevinden zich doorgaans één tot acht stippen op de flank, beginnend vanaf de kop. De soort vertoont veel gelijkenis met de elft en bij overlap in de paaigebieden van beide soorten kan hybridisatie optreden. Fint heeft grotere schubben (55-65 op de zijlijn) in vergelijking tot de elft (70-86 schubben op zijlijn). Hiernaast heeft elft doorgaans slechts één donkere vlek op de flank achter de kop. Fint wordt circa 55 centimeter lang, elft kan tot 80 centimeter lang worden.

Fint

Alosa fallax

Kenmerken:

Geelbuikschildpad (Exoot)

Trachemys scripta scripta

Geelbuikvuurpad

Bombina variegata

Kenmerken:

Geelwangschildpad (Exoot)

Trachemys scripta troostii

Gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) behoort tot de familie van de karpers (Cypriniden) en heeft een zijdelings afgeplat lichaam met een kleine eindstandige bek. Een opvallend kenmerk waarmee de gestippelde alver van andere karperachtigen te onderscheiden is, is de zwart gevlekte omlaag gebogen zijlijn. Andere karperachtigen hebben deze zwarte vlekken op de zijlijn niet. Gestippelde alver bereikt een lengte van circa 15 centimeter.

Gestippelde alver

Alburnoides bipunctatus

Gewone pad

Bufo bufo

Giebel (Carassius gibelio) is een hooggebouwde zijdelings afgeplatte karperachtige (Cyprinidae) met geelwitte tot bruingelige flanken. Giebels kunnen tot circa 45 centimeter lang worden. Karper en kroeskarper lijken op giebel. Het onderscheid met karper kan gemaakt worden doordat karper bekdraden heeft. Kroeskarper heeft een bolle rugvin en 33-36 schubben op de zijlijn, de giebel heeft er 27-32 en een holle rugvin. In tegenstelling tot jonge karpers en kroeskarpers hebben jonge giebels geen donkere vlek op de staartwortel.

Giebel

Carassius gibelio

bottom of page